Musée des Beaux Arts

Op mijn werk zijn we druk met de begroting van volgend jaar. Het is een bezigheid die hoort bij mijn functie, maar ik heb er verder weinig mee. In de loop van de jaren heb ik geleerd kritisch mee te kunnen kijken met de penningmeester. Maar de tabellen oefenen niet dezelfde aantrekkingskracht uit als woorden. Mijn ouders wezen mij er al vroeg op dat ik ieder papiertje spelde op letters. Wat mij betreft is er niets mooier. Als ik mij straks mag verheugen op weer een jaar veroudering, weten mijn intimi dat ze met niets anders aan hoeven te komen dan een boek of een waardepapier dat de aanschaf daarvan mogelijk maakt. Sommigen vinden dat saai, mij verveelt het nooit. Daarom staat er ook op de eerste pagina van mijn website: there’s never an end to reading.
Toch kom ik lang niet altijd toe aan het soort lezen dat mij het meeste boeit: het lezen om te vertalen. En dan bij voorkeur het vertalen van Engelse gedichten naar het Nederlands of vice versa. Daarbij gaat het niet om publicatie. Het plezier ligt in de discipline die zorgvuldig lezen vergt. Het is close reading in optima forma en tegelijkertijd een oefening in het luisteren, want een gedicht spreekt niet alleen, het zingt ook. Daarom is de omzetting van woorden niet genoeg, ook de zang moet hoorbaar blijven. Nu en dan ben ik tevreden met wat er ontstaat. Nog niet zo lang geleden was dat een vertaling van een gedicht van Archibald MacLeish (te vinden onder mijn weblogs op deze site). Toen ik een tijdje geleden een vertaling van Musée des Beaux Arts (W.H. Auden) tegenkwam, gemaakt door Schulte Nordholt, wist ik dat ik het ook wilde proberen. Temeer omdat ik het schilderij dat er in wordt genoemd met grote regelmaat bekijk.

Musée des Beaux Arts

Wat het lijden betreft zaten ze er nooit naast,
de Oude Meesters; hoezeer begrepen zij
zijn plek onder de mensen, hoe het plaats vindt
terwijl een ander eet, of een raam opent of
eenvoudigweg een wandeling maakt

Hoe, wanneer de ouderen eerbiedig en met hartstocht wachten
op de wonderbaarlijke geboorte, er altijd kinderen moeten zijn
die er niet op zijn gespitst, schaatsend
op een vijver aan de rand van het woud:
Ze vergeten nooit
dat zelfs het vreselijkste martelaarschap zich doodleuk
in een hoek voltrekt , een rommelige plek
waar de honden hun hondenleven leven en het paard van de beul
zijn onschuldige kont schurkt tegen een boom

In Breughel’s Icarus bijvoorbeeld: hoe alles heel ontspannen wegdraait van de ramp:
de ploeger heeft wellicht de plons gehoord, de verre schreeuw,
maar voor hem was het geen belangrijk falen. De zon scheen
zoals ze moest op de witte benen die verdwenen in het groene
water; en het dure, delicate schip dat toch iets raadselachtigs moet hebben gezien, een
knaap vallend uit de lucht, moest ergens heen en zeilde kalmpjes voort.

(W.H. Auden. Vertaling G.W. Frenk)

Boekenbeurs

Ramsj

 

Het zou wel eens een jaarlijks uitstapje kunnen worden. In 2010 ben ik samen met mijn dochter voor het eerst naar de boekenbeurs in de RAI gegaan. Dit jaar hadden de organisatoren de Jaarbeurs in Utrecht gekozen. Boekenbeurs doet al snel denken aan de internationaal bekende markten in Frankfurt of Leipzig. De Frankfurter Buchmesse is immers al 500 jaar een begrip. In Amsterdam en Utrecht gaat het echter om een uitgebreide witte boekenwinkel zoals je die in de meeste binnensteden van Nederland aantreft. Uitgevers proberen in een tijdelijk gehuurd pand tegen afbraakprijzen een laatste keer hun ramsjboeken te slijten. Gezellig is het niet. Ook de kale hal van de Jaarbeurs kent geen genade voor het oog. Een grote betonnen ruimte, vol schraagtafels en daarop het bedrukte papier tussen harde en zachte kaften. Gelukkig is er een duidelijke indeling en kunnen we voorbij aan het zoveelste boek over tuinieren, een reeks over wijnbouwgebieden, een dik boek over middeleeuws naaldwerk enz enz.

 

Wallander

 

De laatste jaren merk ik dat mijn dochter en ik een literaire smaak delen. Leuk om dat te ontdekken. Wat ze (nog) niet van me kan begrijpen is de fascinatie voor het detective genre. Onze wegen gaan enigszins uiteen. Het duurt niet lang voor ik een Ruth Rendell in handen heb. Kort daarna stuit ik op twee romans van Henning Mankell. Ik ken hem natuurlijk zoals velen van zijn inspecteur Wallander serie. Maar deze twee Engelse vertalingen laten een andere kant van zijn schrijverschap zien. Kennedy’s Brain is moeilijk te omschrijven. Het is de zoektocht van een moeder naar haar zoon. Mankell laat dat op twee niveaus plaats vinden. Er is de letterlijke en gevaarlijke tocht die uiteindelijk in Mozambique eindigt, en er is de intellectuele, geestelijke reis, die blootlegt hoe slecht ze haar zoon heeft gekend. Het tweede boek van Mankell dat in mijn tas mee ging heet in vertaling Depths. De roman ademt een typisch Scandinavische morbiditeit. Een Zweedse marineofficier krijgt in de eerste wereldoorlog de opdracht dieptemetingen te doen langs de kust om zodoende een veilige en voor de vijand geheime vaarroute in kaart te brengen. De reis en de metingen die hij verricht worden gespiegeld door de reis die hij aflegt in zijn eigen bestaan en ziel. Hij blijkt onmetelijke en donkere diepten in zich te bergen.

 

Ontnuchtering

 

Op het ogenblik lees ik de derde aankoop, The Penguin History of Modern China van Jonathan Fenby. Hij beschrijft de neergang en wederopstanding van de grootmacht China tussen 1850-2008. Het is een ontnuchterend boek. Een verhaal van 150 jaar genadeloos en gewetenloos geweld van buiten- en van binnenuit. De verfijning van het Chinese woord, gebaar en cultuur blijkt een werkelijkheid te verbergen waarbij de helse taferelen van Jeroen Bosch paradijselijk aandoen. Krijgsheren zijn in staat hele steden uit te moorden, persoonlijk martelingen uit te voeren en zich vervolgens terug te trekken in een paleis of buitenhuis om gedichten te schrijven. Politici als Chiang Kai Shek en Mao Zedong verwierven hun macht mede door de behendige manier waarop ze de onderwereld hun vuile werk lieten opknappen. Ze financierden hun strijd met de verkoop van opium aan eigen volk. Miljoenen boeren werden weggevaagd alsof ze niets betekenden, soms in de naam van een half gelogen abstract ideaal, soms uit pure onverschilligheid en omdat het politiek goed uitkwam. Een verhaal van macht en machteloosheid. De eeuwige verhouding tussen mensen. In wezen staat er niets nieuws in het boek. Het is allemaal al eerder gebeurd, op andere plekken en in andere tijden. Maar het is een geschiedenis die zich voor bijna een derde tijdens mijn leven heeft afgespeeld en dat confronteert je met de achteloosheid waarmee je kranten leest en het nieuws volgt. Het is ver en abstract.

Uiteenlopende boeken met een uiteenlopend effect. Fascinatie, ergernis, boosheid en onmacht. Lezen is permanente ontnuchtering. In 2012 ga ik weer naar de boekenbeurs. Ontnuchtering tegen afbraak prijzen.

Breughel en Spreuken

Het boek Spreuken komt er meestal bekaaid af als het om preken gaat. Menig predikant zal er bij tijd en wijle een paar uur in doorbrengen, slechts een enkeling zal het wagen een hele preek op te hangen aan deze of gene spreuk.

De verzameling losse gezegden en spreekwoorden leent zich niet voor de thans gangbare verhalende preektrant. Een aantal eeuwen geleden lag dat anders. Toen vormde de moralistische preek het hart van de verkondiging. Spreuken was de graag geciteerde bron voor de opvoeding van kinderen en de overdracht van de juiste moraal voor volwassenen. De 17e eeuwers begrepen het doel van de verzameling. Zij herkenden het en lazen het zoals het was bedoeld, een bundeling van “wijsheid” die de goede hoorder inzicht verschafte in de juiste persoonlijke en maatschappelijke moraal.

Spreuken staat in een lange traditie die wij, in west Europa, langzaam kwijt raken. Zij gaat terug tot aan de begintijd van het schrift. Een van de oudst bekende verzamelingen is ooit ontstaan in de tempels en paleizen van Soemer (het zuiden van het huidige Irak).

Enkele spreuken uit Ki-en-gir (Soemer), c. 2000 voor onze jaartelling.
• Wie met de waarheid wandelt schept leven.
• Rijkdom is moeilijk te vergaren, armoede is altijd bij de hand
• Hij die veel verzamelt, moet veel bewaken
• Wie teveel bier drinkt, moet veel water drinken
• De armen zijn de stillen in het land.
• Niet alle arme huishoudens zijn even onderdanig.
• in een stad zonder waakhonden is de vos de opzichter
• wie veel zilver heeft mag gelukkig zijn
• wie veel graan heeft mag blij zijn , maar wie niets heeft kan tenminste slapen!

 

een veldfles is ‘s mans leven
een schoen is ’s mans oog
een vrouw ‘s mans toekomst
een zoon ’s mans toevlucht
een dochter ’s mans redding
een schoondochter ’s mans duivel

 

• een schrijver die geen Soemerisch kent, wat voor een schrijver is dat?

 

Nederlandse verzamelingen

De populariteit van gevatte en treffende gezegden was in de gouden eeuw spreekwoordelijk. In de 17e eeuw nam de verzamelwoede een hoge vlucht. De spreuken werden vergezeld van illustraties (emblemata).
Een emblema, embleem of zinnebeeld is een kleine afbeelding vergezelt door een korte kernachtige spreuk, een spreekwoord of gedicht. De afbeelding is meestal een rechtstreekse verbeelding van de spreuk. De lezer of kijker wordt letterlijk de les gelezen. De stof werd gevonden in de wereld om ons heen en wil helpen om greep te krijgen op het leven van alledag. In de 17e eeuw werden de veelal latijnse teksten vervangen door de landstaal. Omdat dit in de Nederlanden meer gebeurde dan in andere landen, wordt dit genre soms aangeduid als typisch Nederlandse emblematiek.
In Nederland resulteerde dat in een lange reeks uitgaven, waaronder die van Jacob (vadertje) Cats ( 1577-1660) de beroemdste en het meest gelezen werd. Cats was van 1636 tot 1651 raadpensionaris (bestuursambtenaar) van Holland. Daarna trok hij zich terug op zijn buitenhuis Sorghvliet bij Den Haag. Het huis bestaat nog steeds en is de ambtswoning van de minister-president.

In zijn Sinne- en minnebeelden ging Cats grondig te werk. Bij iedere afbeelding schreef hij een korte les over de liefde, de maatschappij en de godsdienst. Vaak verhelderde hij zijn bedoeling nog met Bijbelteksten en citaten uit de oudheid, De plaatjes werden getekend door de schilder/tekenaar/schrijver Adriaan van de Venne en gegraveerd door Jan Gerritsz. Sweelinck. De spreuken van Cats hebben een sterk opvoedende en vaak ook belerende of moraliserende (onder)toon. Hoogstaande dichtkunst maakt hij niet, eerder volkskunst.

Enkele bekende spreuken van hem zijn:
• kinderen zijn hinderen
• elk vogeltje zingt zoals het gebekt is
• om de wille van de smeer likt de kat de kandeleer
• ’t zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen

 

Schilders.

Schrijvers en graveerders konden goed aan dergelijke boeken verdienen. Maar ook kunstschilders legden zich toe op het genre. Het meest beroemd is waarschijnlijk het schilderij met Vlaamse spreekwoorden van Pieter Breughel de oudere. Het doek is een wirwar van tafereeltjes die ieder voor zich een gezegde of spreekwoord verbeelden. Kijk eens op de volgende website voor een interactief en verklarend kijkje op dit schilderij http://www.literatuurgeschiedenis.nl/spreekwoord.asp

 

Verstild

Breughel kan ons ook ingetogener de les lezen. In een geheel verstild schilderij dat bekend staat als de Val van Icarus, brengt Breughel een oude wijsheid tot leven
Linksonder in het schilderij zien we een paar benen die nog net niet onder water zijn verdwenen. Meer laat Breughel niet zien van de oude en tot de verbeelding sprekende mythe van Icarus. Deze jonge held was samen met zijn vader Daedalus aan gevangenschap ontsnapt doordat zij vleugels van was aan hun armen bonden en weg konden vliegen. Op zijn vlucht klom Icarus echter zo hoog dat hij te dicht bij de zon kwam . De vleugels smolten en hij stortte neer in zee en verdronk.

In het schilderij is er niemand die zijn val uit de hemel opvalt. De ploeger houdt zijn hand aan de ploeg en kijkt strak voor zich uit. De herder heeft zijn rug gekeerd en kijkt naar een andere plek in de hemel. Het schip heeft vol zeil gehesen en is op weg naar het lichte deel van het schilderij. Daar heeft Breughel een haven en een heldere zon geschilderd. Onder, aan de rand van het meer zit een visser onafgebroken naar zijn lijn te kijken. Het schilderij is een schitterende “emblema” zonder tekst

 

Hubris
Het thema is ongetwijfeld hubris, overmoed. De mens moet niet te overmoedig zijn, niet de kosmos naar zijn hand willen zetten, maar zich spiegelen aan de boer. Daedalus verandert de natuurwetten. Menigeen wil hem daarin volgen en de gang der dingen naar eigen hand zetten. Te hoog klimmen is echter gevaarlijk.
De “les” die Breughel ons voorhoudt is dat de werkelijke voortgang niet zit in het hoogvliegen, maar in de dagelijkse gang van zaken. In die zin is het ook echt een schilderij van de nieuwe tijd van de Hervorming. Luther heeft de mensen voorgehouden dat heiligheid niet in een klooster of in uitmuntende daden is te vinden. Heilig leven is het dagelijkse leven onder het oog van God. Je bent waardevol wanneer je als boer je akker ploegt, als herder je taak vervult en als visser je geheel en al geeft aan je vak.

Niet het buitengewone, maar het gewone draagt de wereld. Het is een les die vooral in protestantse gebieden diep wortel heeft geschoten. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg!

Baäl en de Here

Het Oude Testament is een verzameling boeken, ontstaan in het Nabije Oosten over een periode van zo’n duizend jaar. Als verzameling was het nagenoeg afgerond omstreeks 400 v. Chr. Gedurende de laatste eeuwen hebben geschiedkundig en archeologisch onderzoek steeds duidelijker gemaakt dat het Oude Testament een sterke verwantschap vertoont met de literatuur van Israëls naburen. Vele gewoonten, begrippen, normen en literaire stijlen werden gedeeld met de omwonende volken. Het zal duidelijk zijn dat dit onderzoek invloed heeft op de wijze waarop wij het Oude Testament lezen en verstaan.

 

Niet regelrecht uit de hemel

Eeuwenlang hebben christenen gemeend dat de Bijbel een uniek boek was dat niets uitstaande kon hebben met het aardse en menselijke. Het was als het ware regelrecht uit de hemel komen vallen! Weliswaar hadden de profeten een rol gespeeld in de notatie, maar in wezen was het God die schreef. Men dacht dat God letterlijk alles had gedicteerd wat de schrijvers neerpenden. De profeten of schrijvers werden gezien als evenzovele “fluiten” die door de adem van Gods Geest werden bespeeld.
Het Bijbelonderzoek van de laatste eeuwen heeft dat beeld teniet gedaan. Daarin is aangetoond dat de menselijke inbreng veel groter was dan men voordien meende. Sindsdien is er waarschijnlijk geen christen meer die gelooft dat de Bijbel kan worden begrepen, los van het bredere culturele milieu waarin hij is ontstaan. Wie nu een tekst wil verklaren, gaat allereerst op zoek naar de historische en de culturele achtergrond. Als hedendaagse christenen gaan we ervan uit dat de schrijvers van het Oude Testament (uiteraard ook het Nieuwe) hun eigen, zeer specifieke ontmoeting met de God van Israël hebben weergegeven in eigen taal en in beelden, nauw verwant en soms werkelijk ontleend aan hun omgeving. Een van de meest treffende voorbeelden van dit proces is de Bijbelse beschrijving van de Here in bewoordingen en beelden, afkomstig uit de Baälsmythe van Kanaän. Enkele passages zullen dit verduidelijken.

 

Leviatan

Jesaja 27 bevat een fraaie belofte. Er wordt gesproken over een heilstijd wanneer de Here het kwaad zal hebben overwonnen en zijn volk onbedreigd zal kunnen wonen in vruchtbare wijngaarden. Voordat deze tijd kan aanbreken moet eerst de strijd tussen goed en kwaad zijn beslecht. De strijd en de overwinning van de Here worden in Jesaja als volgt beschreven

Te dien dage zal de Here met zijn fel, groot en sterk zwaard bezoeking brengen aan de Leviatan, de snelle slang, over de Leviatan, de kronkelende slang en hij zal het monster in de zee doden.” (Jesaja 27:1).1 I
Dezelfde slang komen we tegen in een beschrijving van de doortocht door de Schelfzee.
x93Gij ( de Here gf) zijt het, die de zee hebt doorkliefd door uw kracht, de koppen der draken in het water verbrijzeld. Gij zijt het die de koppen van de Leviatan hebt vermorzeld, hem aan het woestijngedierte tot spijze gegeven.” (Psalm 74:11, 14).i

In beide teksten verbeeldt de Leviatan het kwade, de anti-goddelijke macht die Gods schepping en verlossingswerk wil dwarsbomen en teniet doen. Het gaat om een strijd tussen kosmos (schepping, ordening en verlossing) en chaos (wanorde, verwoesting en slavernij). Die strijd wordt door de Here gewonnen.

De theologie van de teksten is zonder meer Israëlitisch. Maar waar komt de vorm, de bewoording vandaan? Zijn het woorden uit de hemel? Zijn ze ontsproten aan het dichterlijke brein van Jesaja of de Psalmist? Geen van beide! De prachtige beeldspraak is afkomstig uit een Kanaänitische mythe. De belijdenis van Israël dat alleen de Here kan bevrijden en verlossen is typisch oudtestamentisch. De aankleding stamt uit de heidense wereld. Zowel Jesaja als de psalmist spelen direct of indirect “leentjebuur”. Hoe weten we dat?

 

Wat Ugarit ons heeft geleerd.

In 1929 stootte men te Ras Sjamra gelegen aan de huidige Syrische kust, op een archief van de reeds in 1200 v. Chr. verwoeste stad Ugarit. Deel van het archief bestond uit afschriften van populaire Kanaänitische mythen. In de verhalen s[peelt naast de oppergod El de vruchtbaarheidsgod Baxe4l een belangrijke rol.

Een van deze mythen beschrijft een gevecht tussen Mot (de dood) en Baäl. De laatste is een is een machtig god geworden door het zeemonster Yam Mahar to vernietigen. Nu wil Mot op zijn beurt Baxe4l doden om zijn troon in bezit te nemen. Hij dreigt Baxe4l met algehele vernietiging:
x93Ben je dan vergeten Baxe4l dat ik je voorzeker kan doorboren? ( ) ondanks het feit dat je de slipperige slang, de Leviatan doodde, een einde maakte aan het kronkelende serpent, de tiran met de zeven koppen!” (Uit de tekst “Baäl en Mot” )
Het afschrift van de mythe dateert uit 1400-1200 v. Chr. en maakte dus al deel uit van het Kanaxe4nitische cultuurgoed voordat Israël zich in het gebied aandiende. Hoe taai de heidense beelden waren, blijkt uit het feit dat Jesaja ze meer dan 500 jaar later nog gebruikt.

Uiteraard betekent het lenen van een beeld uit een mythe niet dat Israël de achterliggende gedachtegang overnam. Hoogst waarschijnlijk heeft men in Jesaja’s dagen niet eens meer bij de herkomst stilgestaan; evenmin als wij vandaag de dag nog bewust stilstaan bij de herkomst van de kreet “gezondheid” als iemand niest, of de heidense herkomst van het paasei. Toch is het opmerkelijk dat er een stadium geweest moet zijn, waarin men bewust heeft gekozen om de God van Israël eigenschappen en daden van Baäl toe te schrijven. Het hoe en het waarom is vrij duidelijk.

 

De Here tegen Baäl

Toen Israël de grens van Kanaxe4n overtrok, bracht het zijn God met zich mee. De Here was van de Sinaï nedergedaald en had zich in een verbond aan zijn volk verbonden. Het land Kanaxe4n (Israël) word als een geschenk van God beschouwd. In de opvatting van de profeten was Kanaän eigendom van de Here en had hij het bestemd voor de nakomelingen van Abraham, Isaac en Jacob. De Kanaänieten zagen dat echter anders. Zij meenden dat het land slechts vruchtbaar zou blijven als men het leven onderwierp aan de wensen van de god Baäl. Kanaän was zijn territorium en hij zorgde voor regen en wasdom. Elke oogst was een regelrechte zegen van deze god.

De confrontatie tussen de twee volkeren betekende daarom ook een confrontatie tussen Baäl en de Here. De strijd heeft eeuwenlang geduurd. De invloed van Baäl was merkbaar lang nadat de politieke macht in Israëlitische handen was overgegaan. Toch heeft Baäl uiteindelijk het onderspit moeten delven. Een van de meest effectieve wapens in de strijd tussen de goden was de overheveling van eigenschappen en heldendaden van Baäl naar de Here. Zo kon het gebeuren dat men de Here in verband bracht met de Leviatan en dat enkele van de meest poëtische beschrijvingen van de God van Israël ontleend werden aan enkele van de vele namen van Baäl. Zo wordt er van Baäl gezegd:

Welke vijand staat op tegen Baäl? Welke tegenstander tegen de wolkenrijder?
Verstrooi (hem), o machtige Baäl, verstrooi hem, o wolkenrijder

Wie maar enigszins thuis is in het Oude Testament grijpt nu onmiddellijk naar Psalm 104, Jeremia 19 en Psalm 68, waar van de Here wordt gezegd:

Hij maakt de wolken tot Zijn wagen“(Ps. 104:3)
Zie, de Here rijdt op een snelle wolk en komt naar Egypte” (Jer. 19:1)
Baant de weg voor Hem die op de wolken rijdt (Ps. 68:5, eigen vertaling)

Iets soortgelijks heeft zich in onze eigen contreien afgespeeld. Toen de Germanen met harde hand het christendom werden binnengedreven, bleek Maria steeds meer trekken van de Germaanse godin Frija te gaan vertonen; en aanvankelijk werd ook Christus beschreven in termen, ontleend aan de heidense goden (zie bijvoorbeeld het oudsaksiche gedicht Heliand uit vroeg 9e eeuw) . Het kan ook moeilijk anders; men moet een aanknopingspunt zoeken in de religie van het volk dat men wil bekeren.

 

De mens tast.
Als wij in ons lezen van de Bijbel nu rekening houden met de mythische herkomst van sommige beschrijvingen van God, staat dat dan niet haaks op de opvatting van de Schrift als een geïnspireerd boek? Alleen de lezer die meent dat alle woorden van de Bijbel regelrecht uit de hemel zijn gekomen, zal deze vraag met”ja” moeten beantwoorden. Adventisten geloven dat niet. Zij zijn van opvatting dat de schrijvers, zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament geen volledig omschreven godsbeeld kregen aangereikt. Zij hebben al tastende geprobeerd, de God die zij ontmoetten, in menselijke bewoordingen te beschrijven. Daartoe hebben ze uit allerlei bronnen geput. Ze hebben teruggegrepen op eigen tradities (de God van Abraham, Isaac en Jacob) en ze hebben gebruik gemaakt van de heidense voorstellingswereld. Waarmee niet is gezegd dat ze de heidense theologie overnamen. Integendeel. Grote gedeelten het Oude Testament getuigen van een aanhoudende polemiek en strijd tegen de Kanaänitische godenwereld. Maar juist om die strijd ten gunste van de Here to beslechten hebben ze gegrepen naar taal en beeld, waarmee men duidelijk kon maken dat niet Baäl, maar de Here de God van Kanaän en van de wereld is.

Zo werden de mens en zijn woorden ingeschakeld in Gods strijd tegen het heidendom. De schrijvers waren dus geen “willoze pennen” in Gods hand, maar mensen die hun ontmoeting met de schepper van hemel en aarde, de Verlosser van Israël probeerden weer to geven in heldere, boeiende, poëtische, menselijke taal

De soldaat en de bedelaar: sint Martinus

1600 jaar geleden trok een colonne Romeinse soldaten door de barre streken van noord west Frankrijk, met in hun midden een jonge officier uit Pavia. Het was koud. Hij had zijn cappa, een zware officiersmantel, strak om zich heen getrokken. De lange panden vielen tot ver over de flanken van zijn paard. De ruwe stof had vocht aangetrokken, en het leek alsof er een zilvergrijze dauw op was neergedaald. Links op een heuvel lag een voorpost van het garnizoen. Een weinig later werden de contouren van een fort zichtbaar. Daarachter lag de stad. De colonne versnelde merkbaar. Plotseling was er haast. De gedachte aan beschutting en warm voedsel verdreef de pijn van de lange dagmars.
In de poort van de stad stond een bedelaar, verkleumd van de kou. De jonge officier zag hem en stopte. De soldaten achter hem kwamen tot een halt Met een ruk trok hij de zware mantel van zijn schouders. Zijn zwaard volgde de naad op de rug en sneed het kledingstuk in tweexebn. Een helft gaf hij aan de bedelaar, de andere sloeg hij zo goed en kwaad als het ging om zijn eigen lichaam om daarna zijn weg te vervolgen.

 

Een droom
Die nacht droomde de officier. Jezus verscheen aan hem, gehuld in het stuk mantel dat hij de bedelaar had geschonken. En hij hoorde Jezus tegen een menigte engelen zeggen: ‘Martinus, die nog maar catechumeen is, heeft mij met dit kleed bedekt”.
Op 11 november, trekken kinderen in (word) Noord Holland erop uit om bedelaartje te spelen. Vroeg in de avond dragen ze lampions door de straat en bellen aan de deur van x93rijke mensen”. Als aalmoes ontvangen ze wat snoep. Sint Maarten dus. De kinderen zullen nauwelijks weet hebben van de bedelaar uit Amiens die zij nu 1600 jaar later uitbeelden.

 

Pavia
Martinus wordt ca 316 in het stadje Szombathely (toen Sabaria) in Hongarije geboren. Drie jaar later krijgt zijn vader, een Romeins tribuun, het bevel om te vertrekken naar Pavia , 30 km van Milaan. Het is in die stad dat Martinus kennis maakt met de christelijke gemeenschap. Op tienjarige leeftijd wordt hij catechumeen, dat wil zeggen, hij ontvangt onderwijs in de christelijke leer. In 331, hij is dan vijftien, wordt hij opgenomen in het leger. Als zoon van een niet onaanzienlijke burger krijgt hij een officiersrang. Drie jaar later treffen we hem aan in het noorden van Gallixeb in de stadspoort van Amiens. Kort na zijn droom is hij gedoopt.
Er wordt weinig van Martinus vernomen totdat hij in 356, hij is dan veertig, het leger verlaat (zie inzet). Hij reist naar Poitiers waar hij bisschop Hilarius vraagt om zijn leermeester te worden. Deze wijdt hem tot daken. In datzelfde jaar reist hij naar Hongarije om zijn ouders te bezoeken. Hij weet zijn moeder tot de doop te brengen. Zijn vader is tot zijn dood een aanhanger van de oude godsdienst gebleven.

 

Gallinaria
Tegen zijn wil raakt Martinus in de stad van zijn ouders betrokken in de strijd tussen de Arianen en de katholieken. Martinus die als katholiek de godheid van Christus belijdt wordt door de ariaanse meerderheid verdreven. In 358 arriveert hij in Milaan. Het is nu dat zijn hang naar ascese zich werkelijk openbaart Hij bouwt een Gel waarin hij als monnik wil leven. Maar hij wordt geen rust gegund. Blijkbaar mag niemand zich onttrekken aan de scherpslijperij tussen arianen en katholieken. De controverse verziekt christelijk Europa. Martinus wordt door de plaatselijke bisschop verdreven en wijkt uit naar een eiland voor de kust van Genua (Gallinaria). Daar probeert hij de ascese van de woestijnmonniken in praktijk te brengen.

 

Marmoutier
Drie jaar later hoort hij dat zijn oude leermeester, Hilarius, ook slachtoffer van de kerkstrijd, eindelijk zijn ballingsoord heeft mogen verlaten en terug is in Poitiers. Martinus vertrekt naar Frankrijk en sticht een gemeenschap in Liguge, net buiten Poitiers, op de plek waar ooit het buitenverblijf van Hilarius stond. Hij leeft in een houten cel, slaapt op de grond en richt zich volledig op het gebed. De gemeenschap maakt naam en wanneer de stad Tours in 371 voor de keuze van een nieuwe bisschop staat reist men naar Liguge om Martinus te vragen dit ambt op zich te nemen. De legende wil dat Martinus zich verstopt in het ganzenhok van zijn kluizenarij en maar met moeite is te bewegen om naar Tours te komen. Eenmaal tot bisschop gewijd weigert hij het bisschoppelijk paleis te betrekken, maar bouwt een eenvoudige cel even buiten de stad. Daar wordt hij door zoveel mensen bezocht dat hij uiteindelijk de wijk neemt naar een uit rots gehouwen cel boven de Loire. Daar ontstaat een geloofsgemeenschap van ongeveer tachtig monniken. Marmoutier zal de Europese geschiedenis ingaan als de eerste invloedrijke kloostergemeeenschap.

 

Kerkstrijd
De tijd waarin Martinus leeft staat haaks op het leven dat hij zich went. De kerk is verwikkeld in een bitter onderling gevecht. Twee kampen tekenen zich af. Aan de ene kant d Arianen, volgelingen van Arius die weigeren de godheid van Christus te erkennen. Aan de andere de katholieken, medestanders van Athanasius, die zo nodig bereid zijn te sterven voor de drie-eenheidsleer die sinds het Concilie van Nicea als orthodox geldt, en waarin Vader, Zoon en Geest gelijkelijk als God worden erkend. Kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders reizen stad en land af om hun gelijk te bewijzen, keizers grijpen in en roepen concilies bijeen, bischoppen vervolgen en verbannen elkaar en in de plaatselijke gemeenten worden gelovigen tegen elkaar opgehitst. Christelijk Europa staat op zijn kop. Gregorius van Nyssa wist te melden dat boodschappen doen op de markt veel weg had van een theologisch dispuut Geldleners beginnen een discussie over de Voortgebrachte en de niet-voortgebrachte, een bakker weet je haarfijn te vertellen dat de Zoon ondergeschikt is aan de Vader en bij het badhuis aangekomen krijg je van de portier te horen dat de Zoon gemaakt is uit het niets. Martinus is niet echt voor de strijd geknipt Hij onttrekt zich er niet aan en verdedigt zijn orthodoxe standpunt als het moet, maar hij is een vredelievend mens en laat zich herhaaldelijk slaan en verdrijven. Hij houdt vast aan wat hij heeft en roept op tot het in praktijk brengen van christelijke deugden. Wat dat betreft lijkt hij op de Christus zoals die in Dostoyevski’s roman de Gebroeders Karamazov ten tonele wordt gevoerd – een uitverkorene Gods te midden van handelaren in geloof.

Tekenend is zijn optreden in de zaak Priscillianus, een rijke zakenman uit Spanje. Deze raakte onder invloed van een streng ascetische stroming. Hij wist hun boodschap zo aanstekelijk te verkondigen dat hij het middelpunt van een lokale ‘beweging’ werd. Dit bracht hem uiteindelijk in conflict met de hogere organen van de kerk. Zijn felste tegenstander werd Ithacius bisschop van Ossonba. In 385 probeerde Ithacius een veroordeling van Priscillianus te bewerkstelligen in Trier. Hij riep de hulp in van de nieuwe keizer Maximus om tot een doodvonnis te komen en een vervolging van aanhangers van de ketter op touw te zetten. Martinus hoort ervan en reist naar Trier. Daar probeert hij Ithacius ervan te overtuigen dat hij geen bloed van medechristenen moet vergieten. Het is genoeg dat ze als ketters worden veroordeeld en geen deel meer hebben aan de sacramenten. Overigens had hij nooit de hulp in mogen roepen van de wereldlijk heerser in deze kerkelijke zaak. Ithacius reageert nauwelijks op het pleidooi. Voor hem lijkt deze asceet uit Marmoutier eerder verwant aan de ketterse Priscillianus dan aan de waardige bisschoppen van de kerk. Martinus benadert de keizer. Deze raakt zeer onder de indruk van zijn vroomheid en stelt de zaak uit. Martinus vertrekt uit Trier in de overtuiging dat hij het pleit heeft gewonnen. Hij is nauwelijks de port uit of de keizer handelt snel. Onder dwang bekent Priscillianus zijn fouten. Ithacius, die de zaak was begonnen, wordt gevraagd als aanklager op te treden. Blijkbaar is zijn maag er niet tegen opgewassen, want hij verdwijnt nu naar de achtergrond. Uiteindelijk worden er minstens zeven mensen onthoofd en wordt een aantal verbannen.
Martinus hoort het bericht en keert terug naar Trier. Hij komt te weten dat de keizer overweegt om een ketterjacht te beginnen op de volgelingen van Priscillianus in Spanje. Via de keizerin weet Martinus uitstel te bewerken. De keizer stelt voor, dat als Martinus bereid is deel te nemen aan de eucharistie, samen met Ithacius en andere bisschoppen, hij zijn soldaten thuis zal houden. Martinus wil het brood en de wijn niet delen met mensen die het bloed van medechristenen aan hun handen hebben. Uiteindelijk geeft hij toe omwille van de onschuldige slachtoffers die in Spanje zouden vallen als gevolg van zijn weigering. Zijn zorg voor de kerk neemt toe. Hij is ervan overtuigd dat zij alleen maar zal overleven als zij de nederigheid en dienstbaarheid van Christus tot haar vaandel verheft. Het zal niet gaan zoals hij went Hij weet het. Hij sterft op 11 november 397 in Candes, weer onderweg om in een broederstrijd

 

Kunst
Het is geen wonder dat het leven van Martinus door vele kunstenaars is uitgebeeld. In Assisi, woonplaats van die andere zachtmoedige, Franciscus, staat een San Martinokapel. Simone Martini heeft de kapel met scxe8nes uit het leven van Martinus beschilderd. Op een van de fresco’s wordt hij afgebeeld staande voor keizer Constantijn. De aardse heerser gordt Martinus het zwaard aan. De toekomstige bisschop heeft zijn ogen op de hemel gericht en zijn gevouwen handen naar omhoog geheven. De armen van de keizer, de rechterhand op het zwaard, lijken hem binnen de omarming van de staat te willen trekken. Maar Martinus, zo mogen we vermoeden, zal zich in opwaartse” richting uit de greep van zijn aardse heer bevrijden. Het is nu al duidelijk dat hij zijn roem niet aan het slagveld zal ontlenen, maar aan die ene slag van zijn zwaard waarmee hij zijn mantel splijt en een medemens binnen de warmte van Gods liefde trekt. Ook de teruggave van het zwaard, jaren later, aan keizer Julianus is in de kapel te zien. De keizer zit voor de tenten van zijn legerkamp te Worms. Ook hij kijkt gefascineerd naar de man voor hem. Martinus, half weggedraaid van de troon, draagt nu wel een wapen. In zijn handen houdt hij het kruis. Hij is doormidden gehouwen door het tweesnijdend scherp zwaard van het evangelie. De soldaat is dood. Leve de bedelaar van Christus!

 

Ganzenhok
Zoekt u hem op andere plekken of schilderijen? Hij wordt meestal afgebeeld te paard terwijI hij een grote mantel in tweexebn scheurt of snijdt. In noordelijke streken wordt hij wel afgebeeld met een gans aan zijn voeten. De oorsprong hiervan ligt in het feit dat rond 11 november, zijn feestdag, de wilde ganzen beginnen weg te trekken uit het noorden van Europa. Het verhaal dat hij zich in een ganzenhok verstopte toen hij gevraagd zou worden bisschop van Tours te worden zal hier mee samenhangen. Hier en daar wordt op die elfde november nog wel eens een gans verorberd. Vast niet door bedelaars!

 

Inspirerend.
Martinus is een inspiratie geweest voor vele generaties na hem. Het feit dat hij de pracht en praal van kerkelijke ambten wist achter te laten en de armoede waarin de meerderheid der gelovigen leefden wilde delen, heeft ervoor gezorgd dat hij een bron van kracht werd voor allerlei hervormingsbewegingen in latere eeuwen. Zijn invloed op de Franciscanen en de opkomst van andere bedelorden is nauwelijks te overschatten. Vandaar dat Franciscus en Martinus broederlijk in Assisi worden herdacht. Ze hebben in hun medemensen Christus geen. Dat is het hoogste.

 

Wrang
Toen de Merovingische vorsten (Clovis I en opvolgers) in de vijfde eeuw het noorden van Frankrijk inlijfden, kregen zij de beschikking over een belangrijk relikwie. In Tours werd de cappa (mantel) van Martinus hun tot oorlogsbuit De mantel werd tot legervaan verheven en bewaard in een capella, kapel, onder toezicht van een capellanus, kapelaan. Het is wrang dat de man die zijn zwaard afzwoer en zijn mantel verscheurde voor een bedelaar, die een keizer weerstond en de armoede van het volk deelde, een eeuw na zijn dood alsnog tot een teken van aardse macht en rijkdom werd verheven. Overal waar de Merovingen hun rijk vestigden, verrezen kerken gewijd aan Martinus van Tours.

Zo leeft zijn naam voort, ook in Nederland. De grote Martinikerk in Groningen is naar hem vernoemd. Maartensdijk, Maartensburg en Sint Maarten zijn slechts enkele plaatsnamen die aan hem herinneren. Het zal de kinderen van Maartensburg een zorg zijn. Op 11 november gaan ze slapen met de zoete smaak van suiker in hun mond. Dankzij de soldaat en de bedelaar.

Onderwijl waren de barbaren Gallië binnengevallen en keizer Julianus, die zijn leger bijeengebracht had by de stad Worms, liet de soldaten extra soldij uitkeren. Naar gewoonte werden zij stuk voor stuk opgeroepen, totdat Martinus aan de beurt kwam. Deze oordeelde nu het geschikte ogenblik genomen om ontslag te vragen (want hij achtte het oneerlijk de extra toelage te ontvangen als hij niet van plan was verder in dienst te blijven) en hij zei tot de keizer: “Tot nu toe ben ik uw soldaat geweest; laat my nu in dienst van God treden. Wie van plan is te vechten moge uw uitkering aannemen; ik echter ben soldaat van Christus en mag niet vechten”. Woedend keerde de heerser zich tegen die woorden: hij was zeker bang voor de strijd van de volgende dag en daarom wilde hij zich aan de krijgsdienst onttrekken, maar niet op godsdienstige gronden. Maar onverschrokken, ja standvastiger nog onder de bedreigingen zei Martinus: “Als mij besluit aan lafheid wordt toegeschreven en met aan mijn geloof dan zal ik my morgen ongewapend opstellen voor de eerste linie en zal ik in de naam van de Heer Jezus, beschermd door het kruis en niet door schild of helm, ongedeerd doordringen in de slagorde van de vijanden”. Op bevel van de keizer werd hij in verzekerde bewaring genomen om te zorgen dat hij zijn woord gestand zou doen, zich ongewapend voor de barbaren te laten werpen. Maar de volgende dag zond de vijand gezanten om vrede aan te bieden, waarbij zij zichzelf en al het hunne overgaven. Wie twijfelt eraan dat dit werkelijk een overwinning van de heilige was, wie het werd gegeven niet ongewapend in het gevecht te worden gezonden? (Sulpitius, Leven van Martinus, 4)

Mantel

Het woord mantel spreekt tot de verbeelding. Het woord jas niet. Reeds de wijze waarop je iemand de kledingstukken aanreikt, typeert het verschil. Een mantel schik je om iemands schouders – een welhaast intiem gebaar. Je helpt iemand in zijn jas – een burendienst. Een mantel bestaat uit royale banen stof. Een jas wordt afgemeten in elkaar gestikt. Daarom valt een mantel en zit een jas. Kortom: op het woord mantel schrijf je een gedicht, voor een jas typ je een factuur.

 

Verhullend
Het is de verhullende vorm van de mantel die de verbeelding prikkelt. lets met de “jas der liefde” bedekken is ondenkbaar en een schandaal onder een “dekjas” houden onmogelijk. De jas ontbeert mysterie. De mantel daarentegen bergt gevaren in zich, bewaart geheimen in het duister van zijn plooien en voedt daarmee de zucht naar romantiek en avontuur. Wie binnen de cirkel van een mantel treedt, mag niet alleen een vurige kus verwachten, maar ook het lemmet van een dolk. De fluisterende stof van de mantel wordt geweven met een bedreigende, soms dodelijke inslag. Hij kan je hart breken en je het leven kosten. Bezweek Caesar niet aan het korte zwaard dat verraderlijk uit de plooien van Brutus’ mantel werd getrokken? Pleegde Pyramus geen zelfmoord toen hij de bebloede mantel van zijn geliefde Thisbe aantrof op de plek waar hij haar voor het eerst zou omhelzen?

 

Een doffe klap
En toch is de mooiste mantel uit mijn herinnering er een die dit alles volkomen tegenspreekt. Hij komt voor op een Russische icoon. De schilder heeft de profeet Elisa afgebeeld aan de oever van de Jordaan. Zijn ogen zijn gericht op zijn leermeester Elia die in een vurige strijdwagen ten hemel vaart. In de lucht tussen hen in hangt een mantel die iedere soepelheid en gratie ontbeert. Het is alsof de kunstenaar twee gesteven mouwen heeft bevestigd aan een in de lengte doorgezaagde tobbe. Geen oor zal hier het ruisen van op de wind gedragen stof horen. Hier dwarrelt geen mantel; hier valt een juk. Vooralsnog hangt het tussen de twee profeten in, maar als je je ogen dicht doet, hoor je een doffe klap. Elisa pakt het hout op en legt het op zijn schouders. Het past. Van nu of aan bepaalt het hout zijn leven. De profeet is zelf tot profetie geworden

Theodicee: God rechtvaardigen

De kerk belijdt Gods Liefde en almacht. Dat staat voor veel mensen op gespannen voet met de beleefde werkelijkheid. Het kwaad is zo duidelijk en indringend aanwezig dat het bestaan ervan onmiddellijk het bestaan van een liefderijke en almachtige God tot vraag maakt. De spanning kan grofweg op twee manieren ontladen worden. Of God (c.q. zijn eigenschappen van Liefde en almacht) wordt ontkend, of Hij wordt in een relatie tot de werkelijkheid gedacht waarin Hij niet verantwoordelijk is voor het kwaad.

 

Protest-atheïsme
Een uiting van de spanning tussen belijdenis en ervaring viel waar te nemen in de jaren na de Eerste Wereldoorlog. Toen bleek het zogenaamde “protest-atheisme” een vorm waarin men uitdrukking gaf aan het gevoel van ongerijmdheid dat ontstond toen men het massale sterven op de slagvelden en een god van liefde samen wilden denken. De tweede wereldoorlog heeft dat gevoel versterkt. Het is een serieus te nemen vorm van “atheisme”. Reeds ver voor de Eerste Wereldoorlog hadden schrijvers waaronder Dostojevsky de contouren ervan geschetst in hun werk. Zij zagen het optimisme van vooral het protestantisme (de wereld gaat het duizendjarig vrederijk tegemoet, alles wordt beter, enz.) weersproken door de intensiteit van het lijden van steeds grotere delen van de mensheid. Het lot van de arbeiders, het kolonialisme, de onmacht van de politiek waren evenzovele vragen aan God. Een van Dostojevsky’s scheppingen, Ivan Karamazov, weigert in God te geloven zolang er een kind lijdt in deze wereld.

 

theodicee
Het is de theologische discipline van de theodicee, ofwel godsrechtvaardiging, die de spanning tussen belijdenis en ervaring wil ontladen. Het is al eeuwenlang een onderdeel van de christelijke apologie. Maar het is al net zo lang een problematisch onderdeel van de christelijke geloofsverdediging. Het antwoord op de vraag: Hoe valt het geloof in de liefde en almacht van God te rijmen met de aanwezigheid van het kwaad, blijkt weerbarstig en nauwelijks te beantwoorden. Toch hebben generaties theologen namens en voor de kerk antwoorden geformuleerd.

 

Griekse kerkvaders
Er is een aantal “klassieke” verdedigingen aanwezig in de christelijke traditie. De Griekse kerkvaders beschouwden de mens als een vat vol mogelijkheden. De mens is geschapen met alles in zich om tot volledige en harmonieuze ontwikkeling te komen. Het leven is bedoeld als een groei in de richting van God. Om de juiste keuzes te maken die in een “Gode welgevallig leven” zullen uitmonden, dient de mens weloverwogen te kunnen kiezen. Er moet een echte keuze zijn tussen goed en kwaad. Kennis van het kwade is dus medebepalend voor de mogelijkheid om te kiezen. Dat deze verdediging tot in onze tijd aantrekkelijk blijft, blijkt onder meer uit de blijvende populariteit van het boek van John Hick, Evil and the God of Love. Hick schetst de mens als incompleet. Om tot volwassenheid te komen dienen goed en kwaad te worden ervaren en gewogen. De mens is vrij om voor het goede (en dus God) te kiezen.
In deze benadering wordt de wereld gezien als een plek waar de mens de kans geboden wordt om gevormd te worden naar het beeld van God. Vooral christenen herkennen zich in deze benadering. Het geeft immers uitdrukking aan hun ervaring dat goed en kwaad reële grootheden zijn, dat God de mens steunt in de keuzes die gemaakt worden of zijn gedaan. En dat God degene die nabij blijft, verlossing en vergeving schenkt en troost biedt.

 

Bezwaren
Bezwaren tegen dit model zijn snel te bedenken. We noemen er drie. Allereerst wordt kwaad en lijden een min of meer positieve status verleend. Ze blijken immers noodzakelijk voor de vorming van de mens naar Gods beeld. Ten tweede: als lijden een stap is op weg naar de volwassenheid in God, wat moeten we dan denken van die velen die nooit meer tot ontplooiing zullen komen, omdat ze het kwaad door anderen gedaan met de dood moesten bekopen. Ten derde: leidt het niet tot aanvaarding van het kwaad? Bestaat er zo nog wel een stimulans om tot verzet te komen?

 

Augustinus
Ook de kerkvader Augustinus (354-430) heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de theodicee. Zijn benadering werd grotendeels bepaald door zijn eigen ontwikkelingsgang. In zijn jonge jaren was hij een overtuigd aanhanger van Mani. Binnen deze leer werden kwaad en lijden herleid tot het barre feit dat de wereld (de materie) van nature slecht/kwaad/onvolmaakt/ is. Ook het menselijk bestaan in het lichaam ontkomt niet aan de invloed van het kwaad. Lijden hoort bij het leven. De enige uitweg is de verlossing uit de wereld: een nieuw bestaan in een omgeving waar de materie geen vat op heeft. De wereld die wij nu ervaren is niets meer dan het gepruts van een onvolmaakte schepper (de demiurg). Daarentegen staat de god die de mens verlost absoluut los van dit ondermaanse en is hij de gezworen vijand van de demiurg.

Eenmaal christen geworden kan Augustinus deze leer niet in overeenstemming brengen met zijn geloof in de God van Jezus Christus. Als lid van de kerk wil hij belijden dat hij gelooft in “God de Vader, almachtige schepper van hemel en”. Er is nu geen plaats meer voor een demiurg. En ook de wereld (de materie) is niet slecht van nature. God, de Vader van Jezus Christus, is immers de enige schepper en Hij heeft uitgesproken dat het “goed” was. Ook de mens is goed geschapen. Blijft de vraag: Waar komt het kwaad in mens en wereld vandaan? Hij herleidt het kwaad allereerst tot het misbruik van de menselijke keuzevrijheid. De mensheid heeft ooit voor het kwaad gekozen. Daardoor is zij erin verstrikt geraakt en is ook de hele schepping besmet. Vervolgens realiseert Augustinus zich dat de menselijke mogelijkheid om te kiezen voor het kwaad moet betekenen, dat het kwaad (als mogelijkheid) reeds aanwezig moest zijn voordat de mens tot een keuze kon komen. Hij lost dat probleem op door te stellen dat het kwaad de wereld is binnengekomen door de satanische verleiding. De mens kiest op basis van een kwaad dat zich openbaart in de duivel. Daaruit vloeit voort dat de mens de verantwoordelijkheid draagt en dat God niet genoemd mag worden als de bron van het kwaad.

Maar ook nu moet de vervolgvraag gesteld worden. Waar komt de satan vandaan als God de wereld “goed” geschapen heeft? Nu reikt Augustinus nog verder terug in de tijd. De satan, zo stelt hij, is een gevallen engel die ooit in opstand kwam tegen God. Daarna valt Augustinus stil.

De critici, de eeuwen door, zijn natuurlijk niet overtuigd. leder kind stelt de wezenlijke vraag: En hoe komt het nu, dat een goede engel’ plotseling slecht wordt? Ook Augustinus blijft het antwoord schuldig.*

 

Barth
Ook Karl Barth, een van de grootste theologen van de 20e eeuw, kwam er niet uit. Hij probeerde het probleem radicaal anders aan te pakken. In het verleden, zo stelde hij, werd het dilemma altijd gesteld in de vorm van de onverenigbaarheid van Gods almacht en het manifeste kwaad in de wereld. Barth wees erop dat het begrip almacht in relatie tot God vaak is uitgewerkt op zeer abstracte wijze. Maar, zegt hij, wordt God niet eerder gekenmerkt door zijn openbaring in Jezus Christus? En moeten we niet leren om niet langer over de almacht van God te spreken als zijn vermogen om “alles” te kunnen? Wordt de macht van God niet zichtbaar in de triomf van zijn genade over ongeloof, schuld en lijden? De bron van het kwaad mag niet in God gezocht worden. Ook Barth laat niet na dat te onderstrepen. Voor hem is het kwaad het Niets (niet-ige) (das Nichtige). Hij ziet het opkomen uit wat God niet tot aanzijn wilde roepen toen Hij de wereld schiep. Het Nichtige is dat wat tegen Gods wil is. Het is niet “niets” in de strikte zin. Het bestaat, maar het is dat wat tot niets leidt en dus God weerstreeft. Gods macht is scheppend en komt tot diepste uitdrukking in Christus. Het Nichtige is niet in staat geweest Christus tot niets kunnen reduceren: God laat Zich niet weerstreven.

Ook hier wordt het probleem niet opgelost. Het gebruik van het begrip das Nichtige, geeft wel inzicht in waar het kwaad toe leidt, maar schept geen antwoord op de vraag hoe het opkomt uit datgene wat God niet heeft geschapen. Het is een prachtig beeld, een metafoor, waarmee we God als het ware in bescherming nemen. Toch blijft de vraag naar de ultieme verantwoordelijkheid onbeantwoord.

 

Procestheologie
Een andere moderne, meer filosofische benadering, treffen we aan in het denken van zogenaamde procestheologen. Daar wordt de oorsprong van het kwaad gelegd in een radicale (zelf)beperking van de macht van God. Sleutel tot deze vorm van theologie ligt in het werkwoord “overtuigen”. Overtuigen is een manier van machtsuitoefening waarbij alle rechten en vrijheden van een “ander” worden gerespecteerd. God moet alle spelers (levende en dode materie) binnen het wereldproces er van overtuigen om het “beste” te doen voor het geheel. Er is echter geen garantie dat God altijd succesvol zal zijn. Het “proces” kent immers geen dwang om God te “gehoorzamen”.
Procestheologie gaat ervan uit dat God het beste voor heeft met de schepping en zijn handelen daarop afstemt. Maar zijn handelen is beperkt. Met name de optie om zijn doelen door een dwingend woord te bereiken is niet beschikbaar. Daarom kan God bepaalde dingen en gebeurtenissen niet voorkomen. Oorlog en honger zijn geen zaken die God wenst, maar ook geen zaken die hij in absolute zin kan tegenhouden. Hij kent radicale beperkingen in de uitoefening van zijn macht. God kan niet ingrijpen in het “natuurlijke” verloop der dingen. Daarom is Hij niet verantwoordelijk voor het kwaad of lijden en kan er ook niet gezegd worden dat Hij het accepteert, toelaat of gedoogd.

 

eigen parochie
De theodicee (godsrechtvaardiging) is zeker in onze tijd een belangrijk terrein waarop theologen hun denkvermogen hebben losgelaten. Twee wereldoorlogen, genocide op grote schaal, de secularisering, dit alles draagt bij tot de vraag naar de aard van God. Hoe gedegen de verdediging ook is, het is toch veelal preken voor eigen parochie. De gelovige vindt in de theodicee verwoord wat hij aan spanning ervaart tussen zijn belijden van de liefde en almacht van God enerzijds en het besef van de macht van het kwaad anderzijds. Degene die niet in God gelooft (of kan geloven) zal door de argumenten nauwelijks op andere gedachten worden gebracht. Ze zijn immers niet sluitend. De spanning blijft bestaan zolang er wordt geleden.

* Het is de moeite waard om het stuk van G. van der Graft De Maan over het Eiland (nog) eens te lezen. Daarin wordt de angst van Lucifer over de schepping van de mens blootgelegd. Te vinden in: Van der Graft, Mythologisch: gedichten, oud, nieuw en herzien. Baarn:1997

Vals dilemma

Sinds ik enkele jaren geleden ben verhuisd naar Amersfoort lees ik weer deur-aan-deur bladen. Er bestaat waarschijnlijk geen snellere en betere manier om in te burgeren. Klein leed, lokale politiek, plaatselijke beroemdheden, gemeentelijk beleid, kerkelijk nieuws x96 alles netjes verstopt tussen de advertenties van middenstand en winkelketens. En verassend genoeg, hier en daar een onverwacht juweeltje.

Ik trof het aan in het blad De Stad Amersfoort, een column van Greteke de Vries. Ze is predikant van de Doopsgezinde Remonstrantse Vrijzinnig Protestantse gemeente te Amersfoort. Als je cynisch wil zijn zeg je, x93nog net kerkelijkx94. Maar we zijn niet cynisch. Dat is een Griekse trek. We zijn luisteraars, dat is een Hebreeuwse houding.

Aangetrokken door een poster is Greteke de Vries in een museum beland.

x93Heerlijke ruimte, het Armando museum. Een hoge voormalige kerkzaal. Licht en sereen. Bach op de achtergrond. Een oase van rust in de stad. Na enkele meters kijken slaat het toe. Het besef dat ik er niets van begrijp. Het besef dat ik bijna niets kan aanvoelen van wat Armando geschreven en verbeeld heeft. x85bijna alles blijft hermetisch voor mij gesloten. Het is geheimtaal die misschien alleen met veel moeite te veroveren is.x94

Terwijl ze nadenkt over het voor haar ontoegankelijke werk van Armando slaat een tweede besef toe.

x93Dit moet het zijn wat mensen aan de kerkgang opdoen. Ze treffen een prettige ruimte, mooie muziek, ze weten dat de teksten en de beelden iets vertellen over grote levensvragen en diepere lagen van ons bestaan, maar x85ze komen er niet in! De taal van de Bijbel, de symbolen van de liturgie: ze zijn als de zwarte grove kubus die Armando x93Melancholiex94 noemde. Vreemd en ontoegankelijk.x94

Tot zover Greteke de Vries.

2005ArmandoMelancholie
"Melancholie" Armando

Meedeiners?
De reactie ligt voor de hand. De kerk hoort geen groot zwart, ontoegankelijk schilderij te zijn. Maar wat dan wel? Vervangen we het moeilijke doek door een toegankelijke voorstelling van Jezus als kindervriend?
Jesus_w_children_600

Vervangen we weerbarstige liedteksten en melodiexebn door onmiddellijk verstaanbare verzen en meedeiners? Wordt de preek een populaire toespraak? Moet de kerkdienst worden gemeten aan de snelheid van TV? Vragen te over. Antwoorden zijn moeilijker te vinden omdat de valkuil van het of/of vermeden moet worden.

Dilemmax92s
Er zijn journalisten die het nooit afleren. Ze stellen een politicus een vraag en eindigen met de woorden: x93u mag alleen met ja of nee antwoordenx94. Ze willen een eenduidig antwoord, het is hom of kuit. De politicus die zijn vak verstaat kijkt de interviewer meewarig aan en begint zonder aarzelen aan een uitgebreid en genuanceerd antwoord. Vaak tot ergernis van journalist, kijker en luisteraar. Toch heeft de politicus gelijk. Het is nooit hom of kuit. Soundbytes en kreten verdraaien de werkelijkheid. Je kunt een ingewikkeld vraagstuk niet beantwoorden met een ja of nee, voor of tegen. We weten hoe het afloopt als een politicus dat doet: x93wie niet voor ons is, is tegen onsx94. Wie zo leiding aan de wereld wil geven zal voortdurend in oorlog leven in binnen- en buitenland.

Samenleving in het klein
In wezen is de kerk een klein land, een microsamenleving. Binnen de grenzen van de kerk treffen we tegenwoordig eenzelfde pluriformiteit als in het land waar we wonen. Ieder lid heeft meningen, opvattingen, ervaringen, belangen, wensen, idealen, waarden en normen. De een roept luid om aandacht en is fel in zijn overtuiging. Zijn buurman in de banken is wat zwijgzamer, heeft niet zoveel behoefte aan aandacht en is wellicht wat minder overtuigd van zijn gelijk. Beide zijn overtuigd lid van de kerk, hoewel ze het geloof op een eigen manier beleven. Waarschijnlijk hebben ze uiteenlopende behoeften en vragen ze andere dingen van de kerk. Deze twee mogen niet tegen elkaar worden uitgespeeld, of erger, tegen elkaar worden opgehitst omwille van een bepaald kerkbeeld. Om terug te keren naar een eerder beeld, er mag hier niet gekozen worden tussen de kerk als zwarte kubus of als spiegel van een immer minzame Jezus. Er valt niet te kiezen voor de een en tegen de ander. Wie zo een kerk wil leiden leeft voortdurend in oorlog, zowel binnen als buiten de muren.

Zo oud als de kerk.
In wezen zijn het probleem en de vraag zo oud als de kerk. Ernst Kxe4semann liet dat duidelijk zien in de jaren zestig van de vorige eeuw. Hij publiceerde toen een artikel * waarin zichtbaar werd dat uiteenlopende opvattingen en theologiexebn van meet af aan in de kerk aanwezig waren. Jakobus en Paulus zijn bekende tegenpolen. Christenen met een Griekse achtergrond en gelovigen met Joodse wortels verschilden van mening over de rol van de wet in de kerk. Johannes met zijn verheven beeld van Christus, is nauwelijks te vergelijken met de aardse Marcus. En die brede waaier van theologie- en kerkopvatting is altijd gebleven. De kerk is blijkbaar niet los te denken van pluriformiteit. Wie de huidige kerkelijke kaart van Nederland of De Verenigde Staten openslaat krijgt te maken met veelvormigheid in het kwadraat. Wie hier wil sturen komt niet ver als er niet genuanceerd mag worden.

Antwoord?
Hoe valt er te leven met pluriformiteit binnen en buiten de muren van de eigen kerk? In een ver verleden heeft Geert Grote (Deventer, oktober 1340 – 20 augustus 1384) voor de Nederlandse gelovigen een impliciet antwoord gegeven in de vorm van een preek over de geboorte des Heren. Daarin wijst hij zijn gehoor op de verschillende manieren waarop de Bijbel gelezen kan worden. Zijn betoog is niet oorspronkelijk, hij staat op de schouders van velen die hem zijn voorgegaan, niet de minste onder hen Origenes van Alexandrixeb (185 – 254 A.D).

.x94..ook de Allerhoogste heeft zich aangepast aan de menselijke zwakheid toen Hij of zijn engelen of zijn heiligen gesproken hebben x96 zowel in de uiterlijke woorden of verschijningen waarmee tot mensen gesproken werden als in de innerlijke visioenen of ingevingen. Hij heeft vormen en lichamelijke beelden gebruikt die ver verwijderd zijn van God zelf, van engelen en van de geestelijke werkelijkheden. Meer nog, heel de heilige Schrift gebruikt welwillend dergelijke heilige beelden: omdat onze ogen niet goed kunnen zien, en om te vermijden dat we zouden verblind worden door te veel licht. Zo worden zelfs degenen die niet in staat zijn zich iets anders voor te stellen dan alleen wat lichamelijk is, toch niet uitgesloten door de Schrift. Op die manier koestert de nederige heilige Schrift de kleinen, en voert ze zelfs volwassenen langs kleine dingen naar wat groter is. De Schrift is aan iedereen aangepast en sluit niemand uit (onderstreping GF) Voor volwassenen heeft ze een diepe zin, en voor kleinen is ze een open boek. De Schrift is net zoals haar Schrijver: ze is zachtmoedig en nederig van hart, en tegelijk hoog en subliem.x94
Uit Geert Grote, x93homilie over de geboorte des Herenx94, geciteerd in H.J. Selderhuis (red), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen, 2006. Blz. 162-162

De Schrift is aan iedereen aangepast x85stelt Geert Grote. Daarin heeft hij gelijk. De Schrift heeft een goddelijke oorsprong en een menselijke wijze van spreken. Hij spreekt een voor iedere verstaanbare taal. De Bijbel is te begrijpen op universiteit en kleuterschool; door grote theologen en eenvoudige predikanten, op HBO, VWO, HAVO en VMBO. Dat komt, zegt Grote, omdat de Bijbel communiceert op elk niveau. Daarom tref je er niet alleen eenvoudige beeldspraak, maar ook ingewikkelde argumentaties. De Bijbel schittert niet alleen aan de oppervlakte maar ook in de diepte. Op elk niveau is het Woord van God helder te verstaan.

Hoeveel te meer.
Als dit allemaal waar is van de Schrift, hoeveel te meer zou het waar moeten zijn van de kerk. Jezus zei ooit, een knecht is niet meer dan zijn meester. Het ligt voor de hand om dan ook te zeggen: de kerk is niet meer dan de Bijbel.

Wie een dilemma formuleert, legt een ander slechts twee mogelijke antwoorden in de mond. Wie werkelijk een analyse maakt van een probleem, vraagt om een veelheid aan antwoorden. Wie de huidige staat van de Adventkerk in alle openheid analyseert en omschrijft kan niet eindigen met de simpele vraag: ben je voor of tegen? Eens of oneens? De situatie is daarvoor te ingewikkeld, te veelzijdig, te pluriform van aard.

Genuanceerde kerk.
Wat is dan het genuanceerde antwoord? De kerk is te herkennen in zowel de zwarte kubus van Armando als in het schilderij van Jezus als goede herder. Abstract en figuratief hangen misschien niet naast elkaar, maar wel in hetzelfde gebouw. Verschillen van beleving en opvatting bestaan en moeten niet bestreden, maar begrepen worden. Hoe dat uitwerkt in de lokale gemeente? Het antwoord zal gevonden moeten worden in overleg, gesprek, analyse, tolerantie, interesse voor de ander, inschikkelijkheid, verleggen van grenzenx85 Wie tijdens dat gesprek roept, wie niet voor mij is, is tegen mij, weet dat hij verzet kan verwachten. En dat verzet is terecht, want de kerk is van allen die Christus belijden.

* In vertaling: Ernst Kxe4semann, "The Canon of the New Testament and the Unity of the Church," in Essays on New Testament Themes, translated by W.J. Montague. Studies in Biblical Theology 41. London: SCM Press, 1964. pp.95-177

Goede Vrijdag

Waarom is de kruisdood van een timmermanszoon uit Nazaret, nu tweeduizend jaar geleden, een kern van het geloof van de christelijke kerk? Waarom geloven christenen dat die kruisdood de verhouding tussen God en mensen radicaal heeft veranderd?

Het antwoord op deze twee vragen is ingewikkelder dan men vaak denkt en toch eenvoudiger dan men wellicht vermoedt. Het wordt uiterst Ingewikkeld als men uit is op een sluitend theologisch betoog. Eenvoudig wordt het als men bereid is de beeldspraak van het Nieuwe Testament aan het woord te laten.

 

Paulus
De apostel Paulus zegt in een brief aan de Korintixebrs dat hij niets anders verkondigt dan Jezus Christus en die gekruisigd. Kort en bondig. Daarna heeft hij er vele bladzijden voor nodig om uit te leggen wat hij daarmee bedoeld. Hij beperkt zich dus niet tot een relaas van de gebeurtenissen die zich hebben voltrokken op Goede Vrijdag. Zijn verkondiging van de dood van Jezus blijkt een interpretatie te zijn van wat er op Golgota gebeurde.

Niemand die bij de kruisiging aanwezig was kon vermoeden getuige te zijn van de beslissende wending in de relatie tussen God en mensen. Op Golgota voltrok zich in het verborgene de verzoening tussen God en mens. Dat kon je er aan de buitenkant niet aan aflezen. Dat moet verteld, geopenbaard worden. Vandaar dat Paulus ook spreekt van een geheimenisx85 de verborgen wijsheid Godsx85 (1 Korintixebrs 2:7).

Wat gebeurt er nu precies? Wat speelt zich af tussen de Vader en de Zoon? Op welke wijze is de Vader betrokken bij de dood van de Zoon? Waarom wijzigt de dood van de Zoon de relatie tussen God en mensen? Uit het Nieuwe Testament blijkt dat de antwoorden op die vragen beter in beeldende dan in betogende taal gegeven kunnen worden.

 

Losprijs
In Marcus 10:45 geeft Jezus zelf het voorbeeld. Wanneer hij spreekt over zijn naderende dood houdt hij geen betoog maar grijpt naar een beeld: want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.x92 Een mooi beeld. Het zou kunnen gaan om een rijk familielid die zijn minder fortuinlijke verwanten verlost van een drukkende en alles bepalende schuld. Of is er sprake van iemand die zijn verwanten loskoopt uit slavernij? Gaat het soms om een vermogend man die krijgsgevangenen vrijkoopt? Het zijn drie situaties die niet ongewoon waren in de tijd dat Jezus leefde.

Maar, zegt theoloog: aan wie wordt de losprijs betaald? Moet de goedgunstigheid van God worden gekocht door de dood van zijn Zoon? Houdt God de mens gevangen in slavernij? Krijgt de duivel het losgeld, zoals enkele kerkvaders beweerden? Het zijn eenvoudige vragen die rechtstreeks door het beeld worden opgeroepen.

 

Paaslam
In 1 Korintiërs 5:7 schrijft Paulus: Doe de oude desem weg en wees als nieuw deeg. U bent immers als ongedesemd brood omdat ons pesachlam, Christus, is geslacht. Hier wordt het kruis in de sfeer van de Exodus getrokken. Het volk Israxebl staat klaar om weg te trekken uit Egypte. De weg naar de vrijheid ligt open. Onder de Egyptenaren waart de Engel des doods. Iedere eerstgeboren zoon sterft. De Israxeblieten hebben zich echter een Pesachlam (Pascha = een voorbijgaan) geslacht. Het bloed van dit lam hebben ze op de dorpels van hun huizen gesmeerd. Daarom gaat de Engel van de dood aan hun huizen voorbij. De eerstgeborenen van Israël blijven in leven. Deze beelden worden door Paulus op Golgota geprojecteerd. Het kruis is als het ware de dorpel van de wereld. Het bloed van Christus beschermt de mens tegen de Engel van de dood. Diep in de nacht kunnen wij vetrekken uit het land van slavernij. Een prachtig beeld.

Maar, vraagt de theoloog: stuurt God de Engel van de dood op de mensheid af en is de dood van Christus dan onze enige bescherming tegen Gods toorn? Ook nu stuit het beeld weer op grenzen.

 

Zoenmiddel
In de tweede eeuw voor onze jaartelling werd er een Griekse vertaling gemaakt van de toen bestaande Hebreeuwse Bijbel. Toen de vertalers in Leviticus het woord verzoendeksel tegenkwamen kozen ze voor het Griekse woord hilasterion. Het is dat woord waarvan Paulus gebruik maakt in Romeinen 3:25, Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Christus is dus het hilasterion (zoenmiddel). Hier wordt het beeld opgeroepen van de deksel op de Ark van het verbond. In het boek Leviticus wordt beschreven hoe eens per jaar de Hogepriester van Israxebl een weinig bloed op de verzoendeksel plengde. De deksel was in zekere zin Gods troon op aarde. Hier betrad de mens de troonzaal van God. In dit beeld van verzoening spelen een aantal elementen door elkaar. De deksel van de Ark van het verbond is de plek waarop hemel en aarde als het ware samenkomen. Op deze plek wordt bloed geplengd. Het bloed is afkomstig van een offer dat namens heel het volk wordt gebracht. Christus is offerdier, priester en verzoendeksel in een?

Maar, vraagt de theoloog: als Christus het offer is, wie offert er dan? In Leviticus is dat het volk. Is Christus dan het offer van de mens aan God? Alleen de vraag is al afschrikwekkend, laat staan dat deze met ja zou worden beantwoord. De grens van het beeld is weer bereikt.

 

Hogepriester

 

De brief aan de Hebreeën wordt door menig nieuwtestamenticus omschreven als en preek of leerrede. Er wordt een poging ondernomen de kruisdood van Jezus te verhelderen door te verwijzen naar rituelen en beelden uit het Oude Testament, vooral het boek Leviticus.

In de loop van de eeuwen hebben deze beelden de vromen en de mystici getroost, maar de meeste theologen gefrustreerd. De denker die graag een sluitend en logische betoog opbouwt wordt immers bij herhaling geconfronteerd met dilemma’s  die door het gebruik van beeldspraak worden opgeroepen. Is de kruisdood een tegemoetkoming aan Gods toorn? Wil God door het offer van zijn zoon de mens tot inkeer bewegen? Als het kruis genade is, speelt Gods toorn dan geen rol?

Anselmus van Kantelberg (Canterbury) heeft in de 11e eeuw gepleit voor een verzoeningsleer die uitging van een toornige God wiens rechtsgevoel alleen door de dood van Jezus Christus kon worden bevredigd. Hij hield er een duidelijke en rechtlijnige visie op na die gestoeld was op het Romeinse recht. Daarentegen ontwikkelde Abelardus (jaren dertig van de 12e eeuw) de zogenaamde subjectieve verzoeningsleer. Daarin gaat het niet om een toornige God, maar om een liefdevolle God die het kruis gebruikt om de mens tot inkeer te brengen. Abelardus meent dat het kruis de diepte van Gods liefde voor de mens openbaart en om antwoord vraagt.

Deze twee benaderingen beheersen het denken over de verzoening in de westerse kerk tot op de dag van vandaag. Beide beroepen zich terecht op het Nieuwe Testament. Toch blijven beide ontoereikend omdat er geen antwoord wordt gegeven op de vraag hoe de verzoening precies tot stand komt.

Theologen zullen het mysterie nooit terug kunnen brengen tot een paar eenvoudige, samenhangende zinnen. Dat moet deemoedig stemmen. Uiteindelijk zal men moeten toegeven dat de verzoening beter wordt verstaan door de dichters van de kerk dan door de schrijvers van betogen. Wie de beelden van verzoening tot zich door laat dringen schrijft geen artikelen maar dicht een lied.

Massaal opzeggen

Vandaag na meer dan dertig jaar mijn ING (voorheen Postbank) rekening opgezegd. Het werd tijd. Verleden jaar was de ABN AMRO rekening na ongeveer dertig jaar al opgezegd en zijn we verhuisd naar de ASN. Ik hoop van harte dat honderduizenden Nederlanders hetzelfde doen.  50.000 opzeggingen en ik weet zeker dat de heren er over zullen praten aan de lunch. 100.000 vertrekkers en de lunch zal minder smaken. 250.000 overstappers en ze gaan een broodje kaas halen. Eindelijk weer met hun poten op de grond. Het is toch hoog tijd dat we met zijn allen duidelijk maken dat het mooi is geweest in bankenland.

Welk signaal zou er naar banken uitgaan als alleen al de christenen in Nederland in opstand zouden komen, massaal en metterdaad laten weten dat het genoeg is geweest. Waarom zouden we bankiers bevestigen in hun waan dat ze 40 tot 60 keer hoger beloond moeten worden voor hun werk dan Jan Modaal. De directeur van Triodos bank verdient 8 keer het loon van de laagstbetaalde bij de bank. Hij werkt er met plezier, zegt hij. Hij wordt alleen af en toe wat meewarig aangekeken door de "echte" bankiers.

Een oproep dus, met de woorden van de profeet Micha als inspiratie tot verzet

1 Wee hun die kwaad in de zin hebben en op hun bed boze plannen smeden. Al in het ochtendgloren brengen ze die ten uitvoer, dat ligt in hun macht. 2 Willen ze een veld? Ze roven het! Willen ze een huis? Ze nemen het! Ze maken zich meester van huizen en hun bezitters, van mensen en hun eigendom. En ik zei: Hoor toch, leiders van Jakob, hoor, heersers van het volk van Israxebl! Jullie moeten het recht toch kennen? 2 Maar jullie haten het goede en houden van het kwaad. Jullie stropen mijn volk de huid af en rukken het vlees van hun botten. 3 Zij eten hun vlees, ze stropen hun huid af en breken hun botten. Als vlees om te koken, als vlees voor de pot hakken ze mijn volk in stukken. 4 Als ze dan tot de HEER om hulp roepen, zal hij hun niet antwoorden. Hij zal zijn gelaat voor hen verbergen vanwege het kwaad dat ze begaan.

Iedereen in Nederland moet meebetalen om het tekort veroorzaakt door de bankencrisis weg te werken. Van de (mede)veroorzakers zou je het fatsoen verwachten dat ze gewoon meebetalen en wellicht nog wat meer dan de gewone burger. Maar er is geen fatsoen, er is geen medeleven, er is geen gevoel voor verhoudingen. Misschien is het ook teveel gevraagd. Misschien moet je onfatsoenlijk en ongevoelig zijn om leiding te geven aan een bankals ING, ABN AMRO, DeltaLoyd, in ieder geval is er een ding voor nodig; een volledig ontbreken van schaamtegevoel. Want, hoe doe je dat – met droge ogen tegen de samenleving zeggen dat 1.3 miljoen salaris per jaar niet genoeg is. Wat zie je als je naar buiten kijkt vanuit de limousine (door bedrijf geleased) met de chauffeur (door bedrijf betaald) achter het stuur, naar het diner (door het bedrijf betaald) wordt gereden? Hoe zit het met de kaartjes voor concert, voetbal, museum. Het huis waarin je woont wordt ook nog voor een deel betaald door de kleine spaarder bij je bank omdat je natuurlijk gebruik maakt van de hypotheek aftrek. Je zou toch gek zijn als je dat niet zou doen? Schaamteloos. Blozen kun je niet meer of heb je nooit gekund.

Het besef dat winst niet uitgekeerd hoeft te worden in salaris ontbreekt. Het zou een kwestie van trots kunnen zijn als winst ten goede kwam aan de samenleving. De aandeelhouders een eerlijke opbrengst, de spaarders een eerlijke rente, de fiscus een eerlijk deel en de managers een fatsoenlijk salaris.

Het kan bij ASN en Triodos.

Kerken, kerkleden kom in actie!